“Ik heb de wereld die ik zie bedacht”. (WdI.32)



Deze werkboekles gaat over de oorzaak en het gevolg van wat wij buiten

ons waarnemen en wat deze manier van denken teweeg brengt in ons

dagelijks leven in de wereld.


De Cursus vraagt ons om het idee langzaam te herhalen terwijl we onze innerlijke of uiterlijke wereld observeren. Het maakt daarbij niets uit wat we hiervoor als onderwerp gebruiken. Meer nog, we mogen zelfs geen voorkeuren hebben in het onderwerp waarmee we oefenen. Wanneer je in de verleiding komt om bepaalde dingen niet in je oefening te integreren wees er dan van bewust dat dit een ego-val is. Je past het idee onmiddellijk toe op elke situatie die je verontrust in dat moment. Zeg: "Ik heb deze situatie zoals ik die zie bedacht" (WdI.32.6:3).


Als ik niet het slachtoffer van de wereld ben, wat is dan mijn relatie tot de wereld? Ik heb hem bedacht. En als ik hem inderdaad heb bedacht — en hem dus verzonnen heb — hoe kan ik er dan het slachtoffer van zijn?


Als ik nu tegen mezelf zeg dat ik de wereld heb uitgevonden, dan is dat een behoorlijk zware uitspraak. Als ik dan moet zeggen dat ik het net zo makkelijk kan opgeven als ik het gemaakt heb, dan lijkt dat nog onwaarschijnlijker. Toch is het datgene wat deze praktijkles van het Werkboek ons wil aantonen. Niet zozeer door een strikte logica, maar door ervaringen die aantonen dat het wel degelijk zo is. Dat is wat wonderen ons aantonen, namelijk dat: “[…] de wereld die je buiten je ziet […]” en “[…] de wereld die je in jouw denkgeest ziet”…, (WdI.32.2:2) “[…] in je eigen verbeelding bestaan”.(WdI.32.2:3).


Deze les toont ons simpelweg het idee, het probeert het niet te bewijzen. In het Tekstboek komen we deze gedachte ook verschillende keren tegen:


           “Het is even noodzakelijk dat je inziet dat jij de wereld die je ziet hebt gemaakt als dat je inziet dat jij jezelf niet

            hebt geschapen”. (T21.II.11:1)


           “Heb jij je niet afgevraagd hoe de wereld in werkelijkheid is; hoe ze er vanuit gelukkige ogen uit zou zien?

            De wereld die jij ziet is slechts een oordeel over jezelf. Ze is er helemaal niet. Maar oordeel velt er een vonnis

            over, rechtvaardigt haar, en verleent haar werkelijkheid. Dat is de wereld die jij ziet: een oordeel over jezelf, door

            jou geveld”. (T20.III.5:1-5)


            “Maar wat als je inzag dat deze wereld een hallucinatie is? En wat als je werkelijk begreep dat jij haar hebt

             bedacht? “. (T20.VIII.7:3-4)


Het is geen concept dat je zomaar kunt vermijden als je de Cursus bestudeert; hij legt er de nadruk op. Het enige wat hier werkelijk van ons gevraagd wordt is dat we openstaan voor het idee dat we de wereld die we zien zelf hebben bedacht. Dit is een opvatting die onze denkgeest in verwarring kan brengen omdat het in strijd is met onze fundamentele overtuigingen over de wereld. De wereld heeft een aantal leuke dingen, maar ook een hoop lelijke onzin. En wanneer je mij vertelt dat ik het verzonnen heb, dan voelt dit in mijn hoofd niet zo lekker aan. En wanneer het allerlei vragen in mijn hoofd oproept, laat de vragen dan maar opborrelen. Op termijn zullen de oefeningen van de Werkboeklessen mij het inzicht geven en al mijn vragen beantwoorden.


Voor de oefenperioden van deze les, passen we het idee gewoon toe zoals het is aangegeven. Het is oké als een deel van je denkgeest op de achtergrond tegenstribbelt en zegt: "Dit is gek! Ik geloof dit eigenlijk niet echt”.
In de inleiding van het Werkboek lezen we: “Maar sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat, en — wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn — gebruik ze. Meer wordt er niet gevraagd”. (WdI.In.9:4-5).


In het begin is het misschien moeilijk om het zo te zien, maar we hebben eigenlijk maar twee opties. Of ik heb de wereld verzonnen, of ik ben er het slachtoffer van. Er zijn geen andere keuzes. Denk er eens over na. Of ik ben de dromer van de droom die de hele zaak verzint, of ik maak deel uit van de droom van iemand anders. Als dat zo zou zijn dan ben ik overgeleverd aan de genade van de wereld. Maar als ik echter toch de oorzaak ben, dan is er nog hoop! Ik kan mijn droom veranderen. Als ik deze oefening regelmatig toepas wanneer ik naar mijn wereld kijk, dan kan ik uiteindelijk helemaal stoppen met dromen. Zou dat geen fantastische ervaring zijn?


Neem zonder interpretatie en verbeelding waar,
dan blijft er alleen Stilte, alleen Ruimte over.


Het vraagt veel oefening en dat is nu juist het doel van de Werkboeklessen. Wanneer je ze jaarlijks opnieuw doet zal je ontdekken dat je telkens dieper en dieper gaat en meer en meer de wereld zal kunnen loslaten zoals jij hem waarneemt. Uiteindelijk zul je een nieuwe wereld ervaren. Angst verschuift naar Liefde en dat is een heerlijke ervaring.



                                                                                                                                                                          Reine Van Dyck